Vorige week donderdag, half acht ‘s avonds, stond ik in de keuken pannenkoeken te bakken voor de derde keer in een week. Mijn jongste at een blauwe knuffelolifant en mijn oudste vroeg of we “ooit echt nog iets gezonds” zouden eten — zijn directe quote, ik verzin het niet. Ik dacht heel even: ik schiet tekort. En toen, terwijl ik de pan omdraaide en de pannenkoek half op het fornuis terechtkwam, schoot ik in de lach. Want dit is het. Dit is ouderschap. Niet de Pinterest-foto’s, niet de gezinsmaaltijd met drie groenten en een glas water erbij. Dit is een vermoeide moeder, een hangerig kind en een pannenkoek op het fornuis. En het is genoeg.
Wat ik bedoel met “goed genoeg”
De term komt van de Britse psychiater Donald Winnicott uit de jaren ’50, en eerlijk: ik kwam pas in 2023 dat boek tegen, in de stapel “ooit lezen” naast mijn bed. Het idee is simpel — een “good-enough mother” is niet perfect, maar reageert genoeg op haar kind, vaak genoeg, om het veilig te laten groeien. Winnicott vond perfecte ouders zelfs ongezond, omdat kinderen dan nooit leren hoe ze met teleurstelling om moeten gaan. Ik vond dat enorm bevrijdend. Ik hoef geen heilige te zijn, ik hoef alleen present te zijn — en op de momenten dat ik dat niet ben (en die zijn er), is dat ook oké. Wat een verademing na al die Instagrammoeders die met een lach hun zelfgemaakte boekenkast filmen om half zes ‘s ochtends.

Waar ik aan moest wennen
De eerste keer dat ik mijn jongste echt vol in een driftbui liet uitrazen op de Albert Heijn (oktober 2024, brood-afdeling, ik herinner het me alsof het gisteren was) voelde dat alsof ik faalde. Iemand keek me aan met die blik — je kent die blik wel. Maar ik bleef rustig, ik zei: dit is moeilijk, je mag het verdrietig vinden. En toen het over was, kocht ik geen droptros om het goed te maken. We liepen gewoon verder. Achteraf voelde dat als een soort overwinning, niet voor mij, maar voor ons allebei. Hij leerde dat een nee een nee is, en dat ik niet wegliep. Ik leerde dat ik geen schaamte hoef te voelen om wat anderen denken.
De momenten waarop “goed genoeg” tegenwerkt
Soms gebruik ik “goed genoeg” als excuus om iets niet te doen wat ik eigenlijk wél zou moeten doen. Bijvoorbeeld: ik weet dat mijn oudste meer rust nodig heeft in zijn ochtend, en dat ik hem zou moeten helpen door eerder te beginnen. Maar dan denk ik: ach, het is goed genoeg, hij overleeft het wel. En ja, hij overleeft het — maar dat is niet hetzelfde als groeien. Het verschil zit volgens mij hierin: goed genoeg is niet de minimale moeite, het is de bewuste keuze. Niet “ik kan niet meer” maar “dit is wat past, en de rest laat ik gaan”. Dat verschil is subtiel, maar het is alles. Ik schreef daar eerder over in de kunst van iets afmaken, en hetzelfde principe blijkt nu in opvoeding net zo te werken.
Wat ik bewust niet meer doe
Er zijn een paar dingen die ik losliet, en mijn gezin werd er rustiger van:
- Iedere maaltijd vol groenten plannen. Drie keer per week is ook prima. De rest mag boterhammen of pannenkoeken zijn.
- Een themabuik voor elke verjaardag verzorgen. We deden vorig jaar gewoon een taart van de Jumbo en mijn dochter was lyrisch.
- Knutselactiviteiten op zondag. Soms voelt niets doen samen veel meer als verbinding dan een Pinterest-project.
- Mezelf vergelijken met de moeder van Floor uit groep 3. Floor’s moeder is geen wedstrijdtegenstander, ze is gewoon iemand met andere energie.
- Schuldig voelen als ik werk. Mijn kinderen zien een moeder die iets opbouwt — dat is ook een soort opvoeding.
Wat ik wel ben gaan doen
Ik ga elke dag 10 minuten echt naast één kind zitten — telefoon weg, andere taken weg — en doe wat zij willen doen. Dat zijn vaak idiote dingen: Pokémonkaarten sorteren, Lego-mannetjes namen geven, met een knuffel een interview houden. Maar het werkt. Ze vragen daarna de hele middag nergens meer om, omdat ze al zijn opgeladen. En ik trouwens ook, want het mooiste aan ouderschap is dat het soms langzamer is dan ik het zelf zou kiezen — en dat dwingt me ook tot vertragen.

Tot slot
“Goed genoeg” is geen ondergrens — het is een uitnodiging om mens te zijn. Ik denk dat onze kinderen geen perfecte ouders nodig hebben, maar wel echte. En echt is rommelig. Echt is pannenkoeken op een fornuis en lachen in plaats van huilen. Voel jij dat ook zo, of zit je nog wel eens vast in het idee dat het beter moet? Vertel me erover — ik lees graag mee.
Comments