Ik heb hier in mijn kast een tas vol breiwerkjes liggen waar ik ooit aan begonnen ben. Een sjaal voor mijn dochter (vier jaar geleden). Een mutsje voor het neefje dat inmiddels naar de middelbare school gaat. En een vest dat ik voor mezelf zou maken, waarvan ik nu zelfs niet meer weet of ik dat groen ooit wel zo mooi vond. Allemaal opgevouwen, allemaal half af.
Op een dag heb ik die tas tevoorschijn gehaald, ernaar gekeken, en gedacht: dit ben ik niet meer. En dat was bevrijdend en pijnlijk tegelijk.
Waarom ik dingen nooit afmaakte
Ik dacht jarenlang dat ik gewoon “iemand was die niets afmaakt”. Dat het deel van mijn karakter was, een soort persoonlijkheidstrek die ik moest accepteren. Maar toen ik er eerlijk over nadacht, was het niet dat ik dingen niet kon afmaken. Het was dat ik ze niet kón afmaken naar mijn eigen standaard.
Halverwege merkte ik dan iets dat niet goed ging — een verkeerde steek, een hoek die niet helemaal recht was, een woord dat ik mooier had willen schrijven — en dan stopte ik. Niet om het te repareren. Om het op te bergen en aan iets nieuws te beginnen waarvan ik nog niet wist dat het ook niet perfect zou worden.

Het kantelpunt
De omslag kwam tijdens een verbouwing. We waren aan het schilderen — ik en mijn man, een lange zaterdag, allebei moe — en op een gegeven moment zag ik in het bovenstuk van de muur een ongelijke baan. Niet heel erg, maar ik zag het. En ik wilde net mijn rol weer pakken om het over te doen, toen mijn man zei: “Kijk niet alleen naar die ene plek. Kijk naar de hele muur.”
Ik deed een stap naar achter, en hij had natuurlijk gelijk. De muur was af. De muur was mooi. Dat ene streepje hoger zat was alleen iets dat ik zag omdat ik er met mijn neus tegenaan stond. En dat is gebleven sinds dat moment, dat zinnetje: kijk naar de hele muur.
De 80%-regel
Sindsdien hanteer ik een soort vuistregel die ik nooit ergens heb opgeschreven, behalve nu hier. Iets is af als het voor 80 procent goed is. De laatste 20 procent zou kosten me drie keer zoveel tijd, en niemand zou het verschil zien behalve ik. En meestal merk ik het zelf twee maanden later ook niet meer.
Dat klinkt makkelijker dan het is. Want elke vezel in mijn lijf wil die 20 procent ook nog perfectioneren. Mijn hoofd zegt: “Maar dan is het echt af. Dan is het zoals het zou moeten.” Maar dat is een leugen. Er is geen “zoals het zou moeten”. Er is alleen “af” en “niet af”, en 80 procent goed is af. Punt.
Wat ik concreet doe
Een paar dingen die me helpen:
- Een eindmoment vooraf bepalen. Ik geef mezelf een tijdslot. Als de tijd voorbij is, is het af, ook al voelt het nog niet zo.
- Het aan iemand laten zien voor ik wil “nakijken”. Mijn man, een vriendin. Negen van de tien keer zeggen ze: “Het is mooi, hou op.” Dan weet ik genoeg.
- Niet meer beginnen aan iets nieuws voor het oude af is. Dit is de moeilijkste, maar wel de belangrijkste. Eén ding tegelijk.
- De vergissingen accepteren als handtekening. Een gebreide sjaal met één foute steek is geen mislukte sjaal. Het is een handgemaakte sjaal.
Wat het me heeft opgeleverd
Sinds ik dat principe hanteer, ben ik dingen gaan afmaken. Een fotoboek dat al jaren in mijn hoofd zat. Een kleine herinrichting van de gang die ik telkens uitstelde omdat ik niet wist welke kleur perfect zou zijn (hint: ik koos er gewoon één, en hij hangt er nu). Een nieuwsbrief die ik eindelijk verstuur, ook al heb ik nog niet “alles” uitgedacht.
Het rare is dat de wereld niet kapot is gegaan van mijn 80 procent. Sterker nog, mensen zijn enthousiast over dingen die ik zelf nog niet helemaal vond passen. Iemand zei laatst over een foto: “Wat een mooi licht in die hoek.” Ik wist op dat moment dat ik die hoek juist zelf niet mooi vond. En dat is het hele punt. Wat ik fout vond, valt niemand op.
De link met perfectionisme
Perfectionisme klinkt als een compliment. “Ze is perfectionistisch” wordt vaak gezegd alsof het kwaliteit is. Maar in de praktijk betekent het meestal: ze maakt het niet af, want het is nooit goed genoeg. Het is geen kwaliteit. Het is een rem.
Dit zelfde idee heb ik trouwens ook een keer beschreven in een stukje over goed-genoeg-ouderschap — dat geldt namelijk niet alleen voor projecten in je kast. Het geldt ook voor de manier waarop je een verjaardag organiseert, een schoolappje schrijft, of een gewone weekendmiddag inricht.

Dat moment dat je het loslaat
Het mooiste aan 80 procent goed genoeg vinden is dit: je hebt opeens tijd over. Tijd die je anders zou besteden aan dat laatste detail dat niemand opvalt. Die tijd kan je gebruiken voor het volgende ding. Of voor helemaal niets, ook prima.
Ik heb die tas met breiwerkjes overigens niet weggegooid. Ik heb er één uit gekozen — een sjaal die ik gewoon nu afmaak. Niet mooier dan toen. Niet perfecter. Gewoon af.
Wat heb jij in een hoek liggen waar je dacht: “Daar kom ik nooit aan toe”? Misschien is dit het moment om hem te pakken en gewoon af te maken — 80 procent telt ook.
Comments