Een half jaar geleden lag mijn telefoon nog op het nachtkastje. Niet alleen ‘s nachts, maar ook ‘s avonds als ik in bed een boek probeerde te lezen, en ‘s ochtends als de wekker ging. Hij was er gewoon, altijd, een soort stille kamergenoot die af en toe een lichtflits gaf en mijn slaaphormonen verstoorde. Ik dacht oprecht dat dat normaal was. Dat is het misschien ook, maar normaal en goed zijn niet hetzelfde.
Het begon met een nacht waarop ik wakker werd, even keek hoe laat het was, een notificatie zag van een e-mail die maandag pas relevant werd, en daarna tot half vier wakker lag. Voor een e-mail. Een werk-e-mail. Die niet eens spannend was. Toen wist ik: het ding moet weg uit deze kamer.
De eerste week was vooral wennen, niet rust
Ik kocht een ouderwetse wekker. Een echte, met radio en een knopje, in een kleur die niet bij mijn slaapkamer past maar dat geeft niet. Mijn telefoon gaat sindsdien om half tien ‘s avonds in de oplader in de keuken. Klinkt eenvoudig. Was het niet.
De eerste week voelde ik me onrustig. Wat als er iets gebeurde? Wat als de school belde? Wat als mijn moeder viel? Ik bedacht alle rampscenario’s die je kunt verzinnen, en daarna nog een paar. Op dag drie verzon ik dat het toch logischer was om hem op stil in de slaapkamer te hebben, “voor het geval dat”. Mijn partner keek me aan en zei: dan hebben we dit weekend voor niets veranderd. En hij had gelijk.

Wat ik niet had verwacht: mijn ochtenden werden anders
Het grootste verschil zat niet ‘s nachts, maar ‘s ochtends. Vroeger pakte ik mijn telefoon direct na de wekker. Even kijken, even scrollen, even een werkapp openen omdat dat toch heel snel ging. Voor ik het wist was ik twintig minuten verder en lag ik nog steeds, maar wel met een hoofd dat al volledig “aan” stond.
Nu sta ik op, doe ik een trui aan, ga ik naar beneden. Pas in de keuken, als de koffie loopt, pak ik mijn telefoon. Die tien minuten daarvoor zijn echt van mij. Ik denk aan niks specifieks, ik plan niet, ik scroll niet. Ik luister naar de fluitketel en kijk hoe het licht door het keukenraam komt. Ik schreef daar laatst nog over in mijn stuk over mijn ochtendritueel, want dat moment is een hoeksteen van mijn dag geworden.
De kinderen zien het ook, en daar werd ik stil van
Wat ik niet had voorspeld: mijn kinderen vinden het opvallend. Mijn oudste vroeg na een paar weken waarom ik ‘s ochtends geen telefoon meer pakte. Ik legde uit waarom, dat ik wilde dat mijn hoofd eerst rustig was voordat het vol werd. Ze knikte alleen maar.
Een paar dagen later zag ik haar voor het slapen haar tablet beneden neerleggen, zonder dat iemand het had gevraagd. Ik zei niets. Maar ik dacht wel: dit. Dit is het. Niet vertellen wat goed is, gewoon laten zien hoe het er bij jou uitziet. Kinderen zien álles, vooral de dingen die we hopen dat ze niet zien.

Wat er nu nog wel eens fout gaat
Ik ben geen heilige, en dit verhaal eindigt niet in een soort onverstoorbare zen-routine. Er zijn nog steeds avonden dat ik tot half elf op de bank zit met mijn telefoon, ondanks de afspraak met mezelf. Er zijn weekenden waarin ik hem ‘s nachts wel mee naar boven neem omdat er iets bijzonders is, een familielid in het ziekenhuis, een vriendin in het buitenland.
Wat er veranderd is, is dat het nu een uitzondering is. En dat ik weet dat het niet alleen mijn ding is. Ik heb het meerdere keren met vriendinnen besproken en de meeste hebben hetzelfde. De telefoon naast het bed is een gewoonte uit een tijd waarin we niet wisten wat ze met ons hoofd doen, en wij beslissen samen wanneer we dat veranderen.
De simpele praktische dingen die voor mij werkten zijn deze:
- Een echte wekker, niet de telefoon
- De oplader in een andere kamer, fysiek niet bereikbaar zonder op te staan
- Een papieren boek op het nachtkastje, ook al lees ik er soms maar drie bladzijden uit
- ‘s Avonds een vast tijdstip waarop de telefoon naar beneden gaat, niet “rond een uurtje of zo”
Slaap jij met je telefoon naast je bed, of heb je dat ooit veranderd? Ik ben oprecht benieuwd, want ik denk dat veel meer mensen dit stilletjes overwegen dan ze toegeven.
Comments