Het was ergens op een donderdagmiddag dat mijn dochter van zes naast me kwam staan bij de keukentafel. Ik had mijn laptop open, drie tabbladen, een mok koude thee, en de paniekblik die ik herken van te veel dagen achter elkaar. Ze keek naar het scherm, toen naar mij, en zei: “Mama, ben je nou aan het werken of aan het stressen?” Ik moest even gaan zitten. Want eerlijk, dat was een hele goede vraag.
Mijn kinderen hebben mij in een paar jaar tijd meer geleerd over werken dan welke productiviteitsboek dan ook. Niet door het uit te leggen, gewoon door er te zijn. Door vragen te stellen die ik liever niet hardop wilde horen. Door me te dwingen om om half vier de laptop dicht te doen omdat het judo niet wacht.
Werk stopt niet vanzelf, dat moet je zelf doen
Voor ik kinderen had dacht ik dat ik wel iemand was die “kon stoppen”. Dat ging prima, tot er een baby was die om vijf uur ‘s ochtends wakker werd en ik om elf uur ‘s avonds nog mailtjes zat te beantwoorden alsof dat normaal was. Het was alsof werk een kraan was die ik niet meer dicht kreeg.
Mijn oudste, toen drie, kwam op een avond mijn werkkamer in en zei heel rustig: “Mama, kom je nu? Of straks?” Niet boos. Niet huilend. Gewoon de vraag. En ik realiseerde me dat ik elke avond “straks” zei, en dat dat eigenlijk een ander woord was voor nooit.
Sindsdien is er een nieuwe regel in dit huis. Als ik zeg dat ik kom, dan kom ik. Niet over vijf minuten waarvan iedereen weet dat het er twintig worden. Echt. En als ik echt nog tien minuten nodig heb, zeg ik dat ook eerlijk, en dan zet ik een timer waar zij hem kan zien.

Niet alles wat dringend lijkt is dringend
Kinderen hebben een geweldig filter voor dringendheid. Hun versie van dringend is “ik heb nu een appelsap nodig” of “mijn knuffel is achter de bank gevallen”. Voor de rest? Geduld. Zelfs bij mijn jongste, die toch echt het ongeduldigste mensje op aarde is.
Ik zat een paar maanden geleden in een dag die voelde alsof alles tegelijk explodeerde. Drie deadlines, een offerte, en ik weet niet meer wat. Mijn zoon zat naast me een stripboek te lezen en zei: “Mama, kun je dit even voorlezen?” Mijn eerste reactie was nee, want, je weet wel, deadlines. Maar toen dacht ik: van wie eigenlijk, die deadlines? En ik las het stripboek voor. En tien minuten later ging ik weer aan het werk en het was nog steeds prima.
Dat is een van die dingen die ik niet wist tot mijn kinderen er waren. Bijna niets is écht nu-nu-nu. De meeste paniek zit in mijn hoofd. Ik schreef daar trouwens eerder over in dit stukje over waarom 80% goed genoeg is, omdat het bleek dat dat alles met elkaar te maken heeft.
Pauzes zijn geen luxe, zijn brandstof
Toen ik nog geen kinderen had, sloeg ik gewoon de lunch over als het druk was. Ik dronk koffie, en koffie, en nog een koffie, en om vier uur ‘s middags vroeg ik me dan af waarom ik wilde huilen om een spreadsheet. Met kinderen kan dat niet. Of nou ja, het kan wel, maar dan ben je ondraaglijk om vijf uur en dat merkt iedereen. Inclusief jezelf.
Ik heb geleerd dat:
- Een wandeling van twintig minuten meer doet dan vier extra koppen koffie
- Een echte lunch betekent dat de middag niet halverwege instort
- Even op de bank ploffen met mijn dochter en niets zeggen telt ook als pauze
- Iets afronden voelt beter dan tien dingen tegelijk halfklaar laten
- Vroeg stoppen op een goed moment is slimmer dan doorgaan tot het verkrampt

Mijn kinderen kijken mee, ook als ik denk van niet
Dit is het ding dat me het meest bijblijft. Mijn kinderen zien hoe ik werk. Ze zien of ik gestrest ben, of ik geniet, of ik trots ben op iets, of ik bij iedereen ja zeg. En ze leren daarvan, hoe ik er ook over denk. Mijn dochter zei laatst tegen haar vriendinnetje: “Mijn mama werkt thuis, maar ze stopt ook gewoon hoor.” En dat was, geloof ik, het mooiste compliment dat ik in jaren gekregen heb.
Ik ga niet zeggen dat ik elke dag de balans vind. Verre van. Er zijn weken dat het rommelig is en weken dat ik om half acht ‘s avonds nog typ. Maar ze zien ook dat ik het probeer. Dat ik mezelf corrigeer. Dat werken een keuze is en geen straf. En dat hoop ik dat ze meenemen.
Eerlijk, ik had nooit gedacht dat een zinnetje van een zesjarige aan de keukentafel mijn werkdag kon kantelen. Maar daar gaan we. Stressen of werken, vroeg ze. Sindsdien probeer ik elke dag te kiezen voor het laatste. Lukt het niet altijd. Maar de vraag staat. En dat helpt al meer dan ik dacht.
Comments