Vorige winter heb ik letterlijk geteld hoe vaak iemand bij ons thuis ziek was tussen oktober en april. Niet uit nieuwsgierigheid, gewoon omdat ik op een gegeven moment niet meer wist of dit nou normaal was of dat ons gezin echt een soort persoonlijke epidemie binnen vier muren had. De teller stopte op zeventien. Zeventien keer iemand ziek. En vaak ging het van de een naar de ander, terug naar de eerste, en weer naar de derde. Een ronddraaiende ellende-carrousel.
Dus toen besloot ik dit jaar: ik ga één ding tegelijk veranderen en kijken wat helpt. Geen wonderen verwachten. Gewoon kijken of we van zeventien naar minder kunnen.
Handen wassen, maar dan echt
Ik dacht oprecht dat wij goed handen wasten in dit huis. Tot ik er een keer op lette. De kinderen plenzen even water langs hun vingers, drogen ze halfslachtig af op hun broek, en lopen door. Ik ben zelf eerlijk gezegd niet veel beter. Wassen na hoesten, na neus snuiten, voor het eten, na thuiskomen — daar was bij ons gewoon geen routine voor.
We hebben dus een paar veranderingen doorgevoerd. Niets revolutionair, gewoon de logische dingen, maar wel echt:
- Stap één van thuiskomen: jas uit, schoenen uit, en direct naar de kraan
- Voor het eten altijd, niet “ik heb net buiten gespeeld dus het is wel oké”
- Twintig seconden, met zeep, ik tel mee voor de kinderen tot ze het zelf doen
- Een handdoek per persoon, geen gedeelde theedoek-aan-de-kookhaak
- Eigen pakje zakdoekjes in elke jaszak en op elke kruk

Iemand ziek? Eigen mok, eigen handdoek
De grootste fout die we vroeger maakten was niet handelen tot iemand écht ziek was. Dan was de helft van het huis al besmet. Nu doe ik het andersom: bij het eerste teken (een loopneus, een raar hoestje, een dochter die te warm voelt) gaan we direct in “voorzorgs-modus”. Diegene krijgt een eigen mok, een eigen handdoek, een eigen zakdoekjespakje, en we kussen niet op de mond voor een paar dagen.
Het klinkt overdreven en mijn man vond het in het begin ook een beetje belachelijk. Maar de afgelopen winter waren we voor het eerst niet alle vier ziek na elkaar. Iemand werd ziek, kwam er drie dagen later weer doorheen, en de rest hield het droog. Dat alleen al was de overdrijving waard.
Slaap als grootste afweermiddel
Ik wist dit wel theoretisch, maar pas dit jaar heb ik gemerkt hoeveel slaap te maken heeft met ziek worden. Als ik twee weken minder slaap (omdat een van de kinderen niet doorslaapt, of omdat ik in een drukke werkperiode zit), word ik daarna ziek. Bijna een wetmatigheid. Mijn man hetzelfde. De kinderen, ietsje minder voorspelbaar, maar ook.
Dus tegenwoordig zien wij slaap als hetzelfde soort onderhoud als handen wassen of vitamines. Niet onderhandelbaar. Als de kinderen om half acht in bed moeten, dan moeten ze om half acht in bed. Niet “nog vijf minuten”. Zeker niet in het ziekteseizoen. Ik schreef trouwens uitgebreid hierover in mijn stukje over slaap als ouder, want bij volwassenen werkt het anders maar het effect is hetzelfde.
Lucht naar binnen, zelfs in januari
Dit is misschien wel het meest tegenintuïtieve dat ik geleerd heb. In de winter willen we het lekker warm hebben, alle ramen dicht, en zo blijft het hele huis gemarineerd in dezelfde lucht. Met alle bijbehorende microben erin. Tegenwoordig zet ik ‘s ochtends en ‘s avonds een paar ramen vijf minuten lang volledig open, ook al is het buiten één graad. Dan komt er nieuwe lucht binnen.
Vijf minuten is genoeg. Het huis koelt niet helemaal af want de muren en meubels blijven warm. Maar de lucht ververst wel. Sinds we dit doen voelen onze slaapkamers ‘s ochtends ook veel frisser. Iemand die slaapt in een afgesloten kamer ademt achtenhalf uur in dezelfde lucht. Dat wist ik niet. Dat is nu anders.
Vitamine D, dat is mijn enige extraatje
Voor de rest geloof ik niet zo in supplementen-feesten. Maar vitamine D in de wintermaanden is iets wat wij wel doen, allemaal, op aanraden van onze huisarts. Niet als wondermiddel, gewoon omdat we hier in Nederland van oktober tot maart eigenlijk te weinig zonlicht hebben om er op natuurlijke wijze genoeg van aan te maken. Ik nam het al voor mezelf, maar nu de kinderen ook.
Verder probeer ik vooral te focussen op de gewone dingen. Veel groente eten. Beweging buiten, zelfs als het regent. Niet te veel suiker. Geen wonderpoeders, geen ingewikkelde rituelen.

Het resultaat tot nu toe
Het is half mei en ik heb in het winterseizoen vijf keer iemand ziek geturfd. Vijf. Tegenover zeventien vorig jaar. Ik wil niet doen alsof er geen toeval bij komt kijken, want de ene winter is ook gewoon zwaarder dan de andere. Maar ik denk dat een paar van die kleine veranderingen — handen wassen écht goed, scheiden bij eerste teken, slapen, luchten, vitamine D — bij elkaar opgeteld een wezenlijk verschil hebben gemaakt.
De waarheid is dat geen enkel gezin in Nederland helemaal verkoudheidvrij door de winter komt. Dat hoef je ook niet te willen. Maar het schaalt wel: van iedereen-tegelijk-ziek naar één-tegelijk-ziek is een wereld van verschil. En in dat verschil zit voor mij wel een soort overlevingstrukje voor de winter geworden. Niet perfect, niet wetenschappelijk getest, maar wel mijn methode tot ik iets beters tegenkom.
Comments